Ontmaskerd

Brabantse burgemeesters ontmaskerd

 “Ondermijnende criminaliteit”: een hoax?

Onlangs hebben vijf Brabantse burgemeesters een noodbrief met de titel “Opstaan tegen ondermijning” gericht aan de politiek. De burgemeesters willen van de politiek een fonds van 150 miljoen per jaar voor hun strijd.  Aanleiding hiervoor is het in januari verschenen boek “De achterkant van Nederland”. Dit boek is geschreven door Pieter Tops (Politie-academie) en Jan Tromp (journalist Volkskrant) en heeft tot doel de stellingen van de burgemeesters te onderbouwen. Wat is “ondermijnende criminaliteit”? Wat willen deze burgemeesters? Wat zijn de consequenties van deze aanpak? Is er reden om de noodklok te luiden? Hierna zal ingegaan worden op deze vragen. De conclusie is dat de politiek en de burger misleid worden door deze burgemeesters, hun bestuurlijke partners, het openbaar ministerie en de politie. Het is een hoax.

Ondermijnende criminaliteit

Het klinkt bedreigend en onheilspellend die ondermijnende criminaliteit. In de politiek en het openbaar bestuur is de laatste jaren regelmatig te horen dat sprake is van een sluipend probleem dat als houtrot onze samenleving bedreigt. Vaak wordt ook de term “georganiseerde criminaliteit” gebruikt. Maar welke criminaliteit wordt nu eigenlijk bedoeld met deze verontrustende termen? Bij het beantwoorden van deze vraag blijkt dat dit nu juist niet duidelijk is. En dat is geen toeval. Ook Tops en Tromp weten in hun boek geen duidelijk antwoord te geven op deze vraag. (“het is helemaal niet zo duidelijk als wij dachten”). Het gaat om criminaliteit met verwevenheid tussen de boven- en onderwereld. Doch dit criterium ontbeert onderscheidend vermogen omdat bijna alle criminaliteit deze eigenschap heeft. Het gaat uit van de illusie dat de maatschappij ingedeeld kan worden in criminelen en niet-criminelen, een gescheiden boven- en onderwereld. Elke criminoloog kan bevestigen dat deze scheidslijn niet bestaat.

De uitleg op de website van het Openbaar Ministerie brengt ons ook niet veel verder, anders dan dat het gaat om criminaliteit die “gericht is op het verdienen van zoveel mogelijk geld.” Is dat ook niet het geval bij de meeste vormen van criminaliteit? Inderdaad. In het LIEC-convenant is een verklaring gegeven voor de keuze voor deze vage, onbepaalde begrippen, namelijk om de definitie zo breed mogelijk te maken zodat zoveel mogelijk verschijningsvormen van criminaliteit onder deze begrippen vallen. Ten onrechte wordt de indruk gewekt dat we hier te maken hebben met een bijzondere verschijningsvorm van criminaliteit. De termen “ondermijnende criminaliteit” en “georganiseerde criminaliteit” zijn daarmee niet meer dan bewust gekozen marketingtermen zonder onderscheidend vermogen.

Wat willen deze burgemeesters?

Het wapen dat deze burgemeesters inzetten tegen ondermijnende criminaliteit is de “integrale aanpak”. Dit is een samenwerkingsverband verenigd in het Regionaal Informatie en Expertisecentrum, het RIEC. Het RIEC komt voort uit een bestuurlijk experiment waarbij bestuursorganen en derden samenwerkingsverbanden aangaan om gezamenlijk burgers of bedrijven aan te pakken waarvan men meent dat zij zich bezig houden met ongewenste activiteiten. Binnen het RIEC werken het Openbaar Ministerie, Politie Nederland, Belastingdienst, Douane, Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (FIOD), Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SIOD en Arbeidsinspectie), Provincie Noord Brabant, Koninklijke Marechaussee en de gemeentes samen. Het RIEC zelf wordt door de deelnemers zelden genoemd. Meestal wordt gesproken over “taskforces”. Feitelijk wordt hiermee het bestuur ingezet als crimefighter. De burgemeesters zien deze formule als het middel om criminaliteit uit te roeien. De burgemeesters willen een jaarlijks budget van 150 miljoen euro voor deze aanpak.

Wat betekent deze aanpak voor de samenleving?

De werkwijze van de integrale aanpak lijkt op het eerste gezicht misschien sympathiek. Wie kan er tegen het bestrijden van zoiets als ondermijnende criminaliteit of georganiseerde criminaliteit zijn?

Maar onschuldig is deze aanpak allerminst.

Waar het primaat van de aanpak van criminaliteit, vervolging en bestraffing voorheen bij de politie, het openbaar ministerie en rechtspraak lag, worden deze drie facetten nu geheel door het bestuur naar zich toe getrokken. De rechtsstatelijke consequenties zijn nauwelijks te onderschatten.

Uitgangspunt van deze aanpak is dat de burger door de overheid per definitie als verdachte benaderd wordt. De burgemeester van Gilze-Rijen, een van de grote voorvechters van deze aanpak, verwoordt het als volgt: “Alle medewerker hier op het gemeentehuis weten ook hoe belangrijk het is. Dus als er hier iemand aan het loket komt en die wil een of andere vergunning… Alert! Alert! Wat gebeurt hier? En direct allemaal erin springen, hè. Alert!”[1]

Jan Boelhouwer, burgemeester van Gilze Rijen en crime fighter

In de praktijk betekent dit dat bij contacten van burgers met het bestuur, zij geen ambtenaar voor zich hebben die zich bezighoudt met het toetsen en verlenen van een vergunning of andere taken, maar een crimefighter. De ambtenaar wordt getraind om de burger als een verdachte te behandelen. In de handleidingen van het RIEC wordt ambtenaren letterlijk geleerd hierbij hun onderbuikgevoelens te volgen. Dit op zichzelf is al bezwaarlijk. Ten eerste dient de goede trouw van de burger het uitgangspunt te zijn in een rechtstaat. Een burger hoeft niet te bewijzen dat hij zich niet bezighoudt met strafbare feiten. Ten tweede kan een burger het zich niet meer permitteren om afwijkend gedrag te vertonen. Dit maakt hem verdacht of heeft nadelige gevolgen voor de hem betreffende besluiten.

Een ander gevaarlijk punt is dat het RIEC voortkomt uit de gedachte dat het mogelijk moet zijn om burgers of bedrijven aan te pakken waartegen geen strafbare feiten bewezen kunnen worden. De veronderstelling hierbij is dat deze criminelen niet via het strafrecht gepakt kunnen worden omdat zij de rechters te slim af zijn. Het rechtsstatelijke principe dat in dat geval ervan uitgegaan dient te worden dat zij mogelijk geen strafbaar feit gepleegd hebben, is daarmee definitief verlaten. Het bestuur gaat zelf bepalen wie al dan niet crimineel is. De betrokkene heeft geen kans zich hiertegen te verweren eenvoudigweg omdat de verdenking aan hem niet medegedeeld wordt.

Nadat het subject in kaart is gebracht, vindt overleg plaats binnen het RIEC. Hierbij wordt bepaald welke convenantpartner met welke middelen het subject aan gaat pakken. Bevoegdheden worden daarbij als wapens ingezet. Het misbruik van bevoegdheden wordt hiermee, in strijd met het verbod op detournement de pouvoir, feitelijk geïnstitutionaliseerd. Het doel is om het subject het leven zuur te maken, hem op te jagen.

In het door Pieter Tops en Jan Tromp geschreven boek wordt deze handelwijze voor het eerst openlijk bevestigd:

“De integrale aanpak is bedoeld om het plezier in het leven voor criminelen te vergallen. Het werkt eenvoudig: als de ene instantie bot vangt, zet een andere instantie haar wapens in. De autoriteiten zijn daarin niet kinderachtig. Of misschien moet je wel zeggen: juist kinderachtig. Op elke slak wordt zout gelegd. Het blijkt de bedoeling. (…)[2]

De man had in zes jaar 74 panden verzameld met een geschatte waarde van 12 miljoen euro. Het was volgens justitie een klassiek geval van witwassen. De gemeente, de belastingdienst, de brandweer en de politie besloten de man op te jagen. Om te beginnen was gebleken dat hij een hypotheek had verworven op basis van een arbeidscontract dat niet echt een arbeidscontract was. Het leverde een boete op van 15.000 euro plus een werkstraf van 240 uur. Zijn panden waren voornamelijk verhuurd aan studenten. Ai, er lagen losse stenen op een dakterras, die konden wel eens naar beneden vallen. Foei, er stond water in de kelder, een stopcontact zat los. Dat kon wel eens kortsluiting veroorzaken. Alleen al in vier van de 74 panden constateerde het gemeentelijke toezicht 80 overtredingen. Om naleving van de regels af te dwingen, legde het gemeentebestuur dwangsommen op van bij elkaar 1 miljoen euro. Vrijwel wekelijks waren er controles, op vergunningen, huurcontracten, hypotheken, verzekeringen en de technische staat van de woningen. De bedoeling was de man gek te maken. En in diskrediet te brengen bij banken en andere relaties. Zijn advocaat sprak van een heksenjacht. De programmadirecteur van de taskforce vindt dat er maar één vraag telt: waar doe ik de crimineel de meeste pijn. ”[3]

De RIEC-partners gaan dus bij voorkeur collectief te werk waarbij zoveel mogelijk “wapens” (bevoegdheden) ingezet worden. Er wordt gezamenlijk met een bulldozer over de betrokkene heen gewalst. De betrokkene wordt bedolven onder zoveel belastingaanslagen, sancties, boetes dwangsommen en bestuursdwangbesluiten dat het zowel financieel als praktisch nagenoeg onmogelijk is zich te verweren.

Zorgelijk is daarbij dat deze ontwikkeling heimelijk plaatsvindt. Doordat door  de betreffende bestuursorganen geen openheid wordt betracht, ontbreekt een  inhoudelijk publiek of parlementair debat over de aanvaardbaarheid en rechtmatigheid van deze handelwijze. Zonder de procedurele waarborgen van artikel 6 EVRM worden burgers en bedrijven aangepakt op basis van niet nader gesubstantieerde vermoedens van ongewenst gedrag. Controle op de wijze waarop deze vermoedens tot stand zijn gekomen, vindt niet plaats.

Een ander punt van zorg is dat dat de werkwijze van het RIEC strijdig is met Europese regelgeving op het gebied van persoonsgegevens. Tot 2016 hebben de deelnemers van het RIEC de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) structureel overtreden. Omdat de informatie-uitwisseling zoals die binnen het RIEC plaatsvindt een wettelijke basis vereist, is zonder enige ruchtbaarheid of discussie  een wijziging van de Wbp en de Wet Politiegegevens doorgevoerd. Deze wijzigingen zijn strijdig met Europese regelgeving maar passen ook niet in het systeem van de Wbp.

Opvallend is dat de burgemeesters en andere voorvechters van deze aanpak “het overeind houden van de rechtsstaat” als belangrijkste taak zien.[4] Maar ook hier wordt de burger misleidt door een opzettelijk gebruik van een onjuiste betekenis van de “rechtsstaat”, omdat hiermee in de klassieke betekenis de bescherming van de burger tegen de macht van de staat bedoeld wordt. Deze rechtstaat wordt door dit beleid juist tot de grond toe afgebroken.

Is er een reden om de noodklok te luiden?

Als we de Brabantse burgemeesters moeten geloven, is het vijf voor twaalf. Alle hens aan dek! Met de regelmaat van een mantra vertellen de burgemeesters dat het bestuur op grote schaal door criminelen geïnfiltreerd, onder vuur ligt en bedreigd wordt. De ondermijnende criminaliteit vreet zich volgens deze burgemeesters als houtrot door de samenleving. Dat de samenleving hiervan niets merkt, komt omdat deze vorm van criminaliteit onzichtbaar is. We vechten hier dus tegen een onzichtbare, reukloze, onaanraakbare vorm van criminaliteit die volgens deze burgemeester de samenleving ernstig bedreigt.

Deze stellingen staan haaks op bestaand onderzoek naar criminaliteit. Alle beschikbare criminologische onderzoeken, ook door middel van slachtofferenquetes[5],  bevestigen namelijk dat de criminaliteit jaar op jaar over vrijwel de gehele linie daalt. Problematisch is dat er geen geloofwaardige onderzoeken zijn die de stellingen van de burgemeesters op enige wijze onderbouwen.

Het boek van Tops en Tromp wordt als “afgerond onderzoek” gepresenteerd ter onderbouwing van hun stellingen. Dit boek is echter niet meer dan een verzameling anekdotes die het niveau van borrelpraat niet overstijgt. Op basis van één enkele als “topcrimineel” bestempelde informant wordt uitgegaan van 600 tot 900 hennepplantages in Tilburg alleen met een omzet van 800 miljoen euro. Criminele grootspraak wordt door Tops en Tromp als feit, zonder nader onderzoek ter staving van deze stellingen,  overgenomen. Dit terwijl veel uitspraken en verhalen al zonder nader onderzoek als onwaarschijnlijk afgestreept kunnen worden. De door Tops en Tromp gepresenteerde voorbeelden van infiltratie van het bestuur overtuigen evenmin en roepen alleen maar meer vragen op. De teneur van het boek sluit aan bij de door de burgemeester gehanteerde vocabulaire. Hoe erg is het? Heel erg! Steeds vaker, steeds meer. Maar hoe erg, hoe vaak, hoe veel meer, geen van deze vragen worden ook maar ergens beantwoord laat staan onderbouwd.

Voor de stelling dat het bestuur “steeds vaker” door criminelen geïnfiltreerd wordt, ontbreekt elk bewijs of zelfs maar geloofwaardige aanwijzingen. In tegendeel, deze stelling staat haaks op de analyse van Tops en Tromp, die beschrijven dat in wijken zoals de Vogeltjesbuurt in Tilburg de onderlaag van de bevolking zich onttrekt van de maatschappelijke structuren. De criminaliteit is juist hun manier om zich van de bovenwereld af te scheiden. Het is dan ook erg onwaarschijnlijk dat zij democratische structuren zouden misbruiken voor hun criminele doeleinden. De analyses van de burgemeesters zijn op dit punt innerlijk tegenstrijdig.

Opvallend is dat vooral burgemeesters die fanatiek met taskforces strijden tegen de ondermijnende criminaliteit te maken lijken te hebben met bedreigingen. De vele bedreigingen (steeds vaker: hoeveel?) rechtvaardigen volgens deze burgemeesters deze rigoureuze en geldverslindende aanpak. De officier van justitie Lucas van Delft heeft zich onsterfelijk gemaakt door zijn eigen bedreigingen te regisseren. Toen dit in de openbaarheid kwam, was de oorzaak “overspannenheid door het harde gevecht tegen de criminaliteit”.  Van Delft maakte deel uit van het RIEC. Het is dan ook gerechtvaardigd vragen te stellen over de ernst en frequentie van deze bedreigingen en zich af te vragen op welke schaal deze verhalen van de RIEC-partners aangedikt of in scene gezet zijn.

Ook is het een vraag of hier oorzaak en gevolg niet omgedraaid worden. Een verklaring – niet een rechtvaardiging- kan zijn dat de acties van  het RIEC, die gericht zijn op treiterijen, opjagen en georganiseerd misbruik van bevoegdheden dergelijke reacties oproepen. Als iemand zonder een rechterlijke veroordeling onder leiding van een burgemeester als een crimineel maatschappelijk en financieel vernietigd wordt, kan machteloosheid leiden tot ongewenste neveneffecten zoals verbale bedreigingen of mogelijk zelfs geweld. Zo kan de vraag gesteld worden wat zich afgespeeld heeft alvorens het gemeentehuis in Waalwijk in vlammen opging.

De burgemeester van Gilze-Rijen stelt dat de ondermijning al ver gevorderd is. Hij ziet dat aan het straatbeeld. “we hebben hier mensen in het dorp die rondrijden in vreselijk dikke auto’s, de arm vorstelijk buiten het portierraam gestoken. Ze willen maar één ding laten zien: wij zijn de baas, wij hebben het hier voor het zeggen.” Verkeerde types herken je aan “grote auto in een te kleine tuin”. Dit soort mantra’s worden door de voorvechters van het RIEC telkenmale herhaald om te benadrukken hoe ernstig het is. Dit is zorgwekkend, en niet alleen voor de burger die ondanks een kleine tuin een grote auto wil rijden.

In een democratische rechtsstaat dient de inzet van middelen gerechtvaardigd te zijn. Dit betekent dat voldaan dient te zijn aan de proportionaliteits- en subsidiariteitseisen. De burgemeesters en hun RIEC-partners slopen in hun strijd tegen een onzichtbare vorm van criminaliteit zonder enig maatschappelijk of parlementair debat de fundamenten van de rechtsstaat. Wetenschappelijk onderzoek ontbreekt. Op basis van observaties van types die met hun arm uit het raam rondrijden, vragen de burgemeesters 150 miljoen per jaar. Wat zij met dit geld willen doen, is niet nader onderbouwd. Ook willen zij veel geld gaan afpakken van foute types (te grote auto, te kleine tuin) en dat voor eigen gebruik in een fonds storten. De problemen zijn sinds 2015 klaarblijkelijk verdrievoudigd zijn, want in dat jaar vroegen de burgemeesters nog maar 50 miljoen per jaar.[6] Er blijkt echter niets van een crisis van enorme omvang.

Conclusie: de burgemeesters misleiden de politiek en burger

De conclusie is dat ondermijnende criminaliteit een hoax van deze burgemeesters is om hun macht te vergroten en flink geld binnen te halen. Met  de strijd tegen een fictieve, niet te definiëren criminaliteitsvorm wordt door het bestuur feitelijk een greep naar de macht gedaan waarbij de rechter buiten spel is gezet. Het bestuur wordt politieman, rechter en beul tegelijk. Met een war on crime wordt de rechtsstaat, zonder dat de noodzakelijkheid is aangetoond, vergaand ontmanteld. Het handelen van deze burgemeester ondermijnt de samenleving. Mogelijk is dit een echte vorm van ondermijnende criminaliteit.

 

 

 

 

 

 

 

 

[1] “De Achterkant van Nederland”, Pieter Tops en Jan Tromp: 2017, p. 23.

[2] P.223

[3] P. 224

[4] P. 22

[5] The prevalence and perceived seriousness of victimization by crime; some results of the International Crime Victims Survey Kesteren, John; van Dijk, Jan Published in: European Journal of Crime, Criminal Law and Criminal Justice

[6] http://www.volkskrant.nl/opinie/we-moeten-criminelen-veel-meer-geld-afpakken~a4139729/

 

 

 

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *