Het RIEC,

schema riec v2

De werkwijze van de Taskforce/RIEC

Het RIEC komt voort uit een bestuurlijk experiment waarbij bestuursorganen en derden samenwerkingsverbanden aangaan om gezamenlijk burgers of bedrijven aan te pakken waarvan men meent dat deze zich bezig houden met ongewenste activiteiten. In Rotterdam is deze aanpak gestart onder burgemeester Opstelten met het Alijda-project dat zich richtte tegen drugsrunners en malafide vastgoedeigenaars.

 

Deze Rotterdamse aanpak is nu landelijk uitgerold middels de oprichting van RIEC’s en een coördinerend Landelijk Informatie en Expertise Centrum (LIEC). Daarnaast zijn er tal van andere samenwerkingsverbanden tussen bestuursorganen en andere partijen ontstaan die op basis van convenanten informatie uitwisselen en samenwerken.

Het handboek van het RIEC, omschrijft dit als volgt:[1]

“De bestuurlijke aanpak van georganiseerde criminaliteit richt zich niet zozeer op de kernactiviteiten van de georganiseerde criminaliteit, maar juist op de cruciale ondersteunende activiteiten. De maatregelen richten zich niet op personen (de potentiële daders), maar op de situaties en gelegenheidsstructuren die de georganiseerde criminaliteit faciliteren en soms zelfs aanmoedigen”

 

In het Regionaal Beleidsplan ZWB 2015-2018 wordt de werkwijze als volgt geformuleerd (p.20):

 

“Ook is een andere kijk op de problematiek van belang: van focus op het delict, naar focus op de business en subject. Inmiddels heeft het RIEC een integraal informatieplein ingericht om van signaleren naar aanpak te komen. Op basis van een interventieplan worden middelen ingezet en inspanningen van partners gevraagd (op strafrechtelijk, bestuurlijk, financieel en fiscaal gebied) die gezien het probleem het meest effectief zijn.”

 

Deze vorm van bestuurlijke en justitiële samenwerking, waarbij bestuursorganen de hen geattribueerde bevoegdheden repressief (“wapens”) inzetten en daarmee aan crimefighting doen, is een belangwekkende ontwikkeling. Het RIEC richt zich op “georganiseerde criminaliteit”, een term die bewust gekozen is als containerbegrip[2] om de mogelijke activiteiten niet te veel te beperken. Het RIEC probeert met haar woordkeuze de associatie op te wekken met het bestrijden van de Maffia in Italië. In de praktijk blijkt dit niet juist te zijn. Wie de moeite neemt om het jaarverslag van het RIEC te lezen, komt tot de conclusie dat de strijd tegen georganiseerde criminaliteit zich grotendeels richt op alle schakeringen van kleine criminaliteit van hangjongeren tot bijstandsfraude en al dan niet kleinschalige hennepkweek.

 

Zorgelijk is echter dat deze ontwikkeling heimelijk plaatsvindt. Doordat door  de betreffende bestuursorganen elke transparantie over deze werkwijze wordt vermeden, vindt nauwelijks een  inhoudelijk publiek of parlementair debat van enige betekenis plaats. Zonder de procedurele waarborgen van artikel 6 EVRM worden burgers en bedrijven aangepakt op basis van niet nader gesubstantieerde vermoedens van ongewenst gedrag. Controle op de wijze waarop deze vermoedens tot stand zijn gekomen vindt niet plaats.

 

De bestuurlijke aanpak van “criminelen” wordt door de voorvechters als burgemeester Noordanus maar ook Pieter Tops en journalist Jan Tromp al geruime tijd gepropageerd (zonder daarbij overigens het RIEC bij naam te noemen).  In de Taskforce Zeeland West-Brabant werken het ministerie van Veiligheid en Justitie, de vijf grootste gemeenten van Brabant het Openbaar Ministerie, de nationale recherche, Belastingdienst, Koninklijke Marechaussee, de Nationale Politie en andere diensten en partijen nauw samen om de georganiseerde criminaliteit in Brabant terug te dringen.”

 

Aan de rechtstatelijke complicaties en het feit dat deze werkwijze op gespannen voet staat met de uitgangspunten van behoorlijk bestuur is nauwelijks tot geen aandacht besteed. Een belangrijke vraag hierbij is hoe zonder rechterlijk oordeel een scheiding gemaakt kan worden tussen criminelen en niet-criminelen. Er wordt erg gemakkelijk over “criminelen” gesproken terwijl zelfs niet vast komt te staan of er sprake is van een redelijke verdenking in strafrechtelijke zin.

 

De roep van een aantal Brabantse burgemeesters die het RIEC promoten, doen geloven dat Nederland overvallen wordt door een golf van ondermijnende criminaliteit. Op de RIEC-website wordt nog toegelicht dat deze vorm van criminaliteit onzichtbaar en onmerkbaar als houtrot door de samenleving vreet. Feit is echter dat de term “ondermijnende criminaliteit”, als synoniem voor “georganiseerde criminaliteit” geen houdbare definitie is. Het is een term zonder onderscheidend vermogen. Noch in het strafrecht noch in het buitenland wordt een vergelijkbare terminologie gebruikt.  Ondermijnende criminaliteit is een “marketingterm” die gebruikt wordt als vlag om fundamentele wijzigingen in de overheidsorganisatie door te voeren. De burgemeesters hebben hiervoor anderhalf miljard euro extra gevraagd voor de komende jaren.

 

Dat  de politiek en de rechtspraak meegaan met deze retoriek, is niet verwonderlijk. Het klinkt immers sympathiek deze samenwerkende overheid, de één overheid-gedachte. Een weerbare overheid. Maar sympathiek is een naar deze ideeën georganiseerde overheid nauwelijks.

 

Wat deze burgemeesters en andere voorvechters van deze aanpak voorstaan is een nieuwe war on crime waarbij de gehele samenleving in het teken gesteld wordt van criminaliteitsbestrijding. Het gehele ambtenarenapparaat wordt daarbij ingezet als crimefighter.  De burgemeester van Gilze-Rijen, een van de grote voorvechters van deze aanpak, verwoordt het als volgt in het boek “De Achterkant van Nederland”:

 

“Alle medewerker hier op het gemeentehuis weten ook hoe belangrijk het is. Dus als er hier iemand aan het loket komt en die wil een of andere vergunning… Alert! Alert! Wat gebeurt hier? En direct allemaal erin springen, hè. Alert!”

 

De houding die hiervan uitgaat, is een Generalverdacht waarbij elke burger of groepen burgers als verdachten benaderd worden. Ambtenaren krijgen van het RIEC zelfs cursussen om op signalen te letten. Zoals blijkt uit informatie van het RIEC zelf, wordt daarbij letterlijk geleerd om de onderbuik te volgen. De burger die zich aan het loket meldt voor een bouwvergunning of een andere dienst, wordt eerst op de weegschaal gelegd of hij zich misschien met misdrijven bezighoudt. Deze gedachte is onverenigbaar met de beginselen van een rechtsstaat. De criminaliteitscijfers dalen daarbij jaar na jaar. Er is daarmee geen enkele aanwijsbare noodzaak voor een deltaplan tegen de criminaliteit waarbij de hele rechtsstaat op de schop gaat

 

Het wekt dan ook verbazing dat zonder enig parlementair debat van betekenis een dergelijke ingrijpende wijziging van de aanpak van criminaliteit landelijk is doorgevoerd. Als gevolg van het ontbreken van een inhoudelijk parlementair debat is ook de vraag naar de wettelijke grondslag van deze afspraken en de vergaande informatieuitwisseling onvoldoende aan het licht gekomen. Men kan zich oprecht de vraag stellen hoe deze werkwijze zich verhoudt tot artikel 1 van de Grondwet en artikel 6 EVRM.

 

Aan personen en bedrijven die doelwit zijn van het RIEC wordt geen mededeling gedaan, zelfs niet dat enig vermoeden laat staan verdenking bestaat van enig strafbaar feit. Deze personen worden echter wel als  “crimineel” bestempeld (signaleren) of dienen aangepakt te worden omdat zij beschouwd worden als facilitator. Hoe deze aanpak werkt, is te lezen in het zojuist verschenen boek “De achterkant van Nederland”, van P. Tops en J. Tromp. Enkele citaten die boekdelen spreken:

 

“De integrale aanpak is bedoeld om het plezier in het leven voor criminelen te vergallen. Het werkt eenvoudig: als de ene instantie bot vangt, zet een andere instantie haar wapens in. De autoriteiten zijn daarin niet kinderachtig. Of misschien moet je wel zeggen: juist kinderachtig. Op elke slak wordt zout gelegd. Het blijkt de bedoeling. (…)[3]

 

De man had in zes jaar 74 panden verzameld met een geschatte waarde van 12 miljoen euro. Het was volgens justitie een klassiek geval van witwassen. De gemeente, de belastingdienst, de brandweer en de politie besloten de man op te jagen. Om te beginnen was gebleken dat hij een hypotheek had verworven op basis van een arbeidscontract dat niet echt een arbeidscontract was. Het leverde een boete op van 15.000 euro plus een werkstraf van 240 uur. Zijn panden waren voornamelijk verhuurd aan studenten. Ai, er lagen losse stenen op een dakterras, die konden wel eens naar beneden vallen. Foei, er stond water in de kelder, een stopcontact zat los. Dat kon wel eens kortsluiting veroorzaken. Alleen al in vier van de 74 panden constateerde het gemeentelijke toezicht 80 overtredingen. Om naleving van de regels af te dwingen, legde het gemeentebestuur dwangsommen op van bij elkaar 1 miljoen euro. Vrijwel wekelijks waren er controles, op vergunningen, huurcontracten, hypotheken, verzekeringen en de technische staat van de woningen. De bedoeling was de man gek te maken. En in diskrediet te brengen bij banken en andere relaties. Zijn advocaat sprak van een heksenjacht. De programmadirecteur van de taskforce vindt dat er maar één vraag telt: waar doe ik de crimineel de meeste pijn. ”[4]

 

De deelnemende bestuursorganen en diensten bedelven het doelwit onder controles, sancties, boetes, aanslagen en handhavingsbesluiten. Voor het doelwit is het nagenoeg ondoenlijk zich hiertegen te verweren. De juridische kosten zijn doorgaans nauwelijks te dragen. Het is mogelijk geen toeval dat deze kosten onder staatssecretaris Teeven, een van de voorvechters van het RIEC, aanzienlijk gestegen zijn. Het doel is de betreffende persoon of bedrijf te gronde te richten. Het RIEC propageert een weerbare overheid. In een rechtsstaat hoort echter een burger weerbaar te zijn. Een overheid is per definitie weerbaar.

 

Door deze werkwijze wordt niet alleen het in de wet opgenomen verbod op detournement de pouvoir op structurele basis overtreden. Ook de Wet bescherming persoonsgegevens, de Wet justitiële gegevens en de Wet Politiegegevens  de afgelopen jaren volledig terzijde geschoven. Het systematisch overtreden van wet- en regelgeving en kijken of je ermee wegkomt, noemt het RIEC “pionieren”. In het jaarverslag 2016 van het RIEC is te lezen dat de tijd van pionieren voorbij is. De beproefde praktijken zullen nu gangbaar worden.

 

Uit deze en hierna volgende beschrijvingen volgt dat bevoegdheden van bestuursorganen systematisch ingezet worden voor andere doeleinden dan waarvoor deze bevoegdheden oorspronkelijk in het leven zijn geroepen. Kennelijk is hierbij uit het oog verloren dat “criminelen” geen juridisch bestaand begrip is. Het systeem van de rechtstaat werkt aldus dat iemand onschuldig gehouden wordt totdat het tegendeel bewezen is (de zogenaamde onschuldconsumptie). De crimineel die door het RIEC wordt aangepakt wordt het recht op de onschuldpresumptie kennelijk onthouden. Bestuursrechtelijke maatregelen zijn vanuit hun aard niet bedoeld om bepaalde  burgers op te jagen of gek te maken, terwijl gelijksoortige overtredingen door andere burgers ongemoeid worden gelaten Hiermee is feitelijk de overtreding van het verbod op detournement de pouvoir geïnstitutionaliseerd en wordt ongelijke behandeling van gelijksoortige overtredingen het uitgangspunt van overheidsbeleid.

De politie is een belangrijke partner bij de bestuurlijke aanpak van “georganiseerde criminaliteit” binnen het RIEC. In het voorwoord van de handleiding “Politie: partner in de bestuurlijke aanpak” De bestuurlijke aanpak wordt daar gepresenteerd als een alternatief voor het strafrechtelijke traject:

 

“Het gaat erom dat we de crimineel zo effectief mogelijk aanpakken. De ene keer is dat via het strafrecht, de andere keer fiscaal (Belastingdienst) en soms is het bestuurlijk instrumentarium van gemeenten effectiever. Vaak is ook een combinatie mogelijk, dan worden meerdere strategieën aanvullend op elkaar ingezet. Het maakt de burger niet uit wie de crimineel aanpakt, als hij maar wordt aangepakt.”

 

 De RIEC-aanpak van Fort Oranje en Engel: Actie “Bloedkoraal”

 

Fort Oranje vermoedt al jarenlang dat de aanpak waar zij zich mee geconfronteerd ziet, gebaseerd is op geheime afspraken tussen de verschillende overheidsdiensten. In talrijke procedures is deze stelling van Fort Oranje consequent weggezet als een niet onderbouwde samenzweringstheorie. De verschillende overheidsdiensten hebben steeds volgehouden dat zulke afspraken niet bestaan. Vele pogingen om middels informatieverzoeken op grond van de Wbp, Wpg en WOB hebben afgelopen jaren nauwelijks informatie opgeleverd. Verrassend genoeg heeft de rechtspraak hier een belangrijke bijdrage geleverd door de beroepen tegen de afwijzende beschikkingen tot het verstrekken van informatie ongegrond te verklaren.

 

Hoewel al vele jaren duidelijk is dat Fort Oranje en Engel het doelwit waren van een georganiseerde aanpak, bleven de afspraken geheim. De reden dat de overheden geen openheid betrachten is ook duidelijk. De aanpak is op bepaalde punten evident in strijd met de grondwet, met de mensenrechtenverdragen en met de beginselen van behoorlijk bestuur. Juist het handelen in strijd met deze kernwaarden van onze samenleving maken deze aanpak zo effectief. Dat de rechtstaat daarmee op onaanvaardbare wijze wordt uitgehold wordt vervolgens door deze bestuurders – en ook de rechtspraak – voor lief genomen. Het doel heiligt hier kennelijk de middelen. In een rechtsstaat is dat nou juist niet het geval.

 

Onlangs heeft Fort Oranje voor het eerst bewijzen in handen gekregen van de bestaande afspraken om Engel en Fort Oranje aan te pakken. Het is ontluisterend om vast te stellen op welke wijze de Taskforce/RIEC in de praktijk te werk gegaan is.

 

De aanpak van Fort Oranje zoals dit in 2017 heeft plaatsgevonden, is gestart op  23 februari 2013 met een bespreking waarbij naast staatssecretaris Teeven ook hoofdofficier van justitie van het parket Breda mr. H.M.P. Hillenaars, burgemeester van Zundert L.C. Poppe – de Looff, gebiedsofficier Van Zetten, de politiechef West Brabant-Zeeland en de projectleider van het RIEC aanwezig waren. Op de agenda stond de situatie met betrekking tot de Gemeente Zundert en Fort Oranje.

 

Enkele maanden na deze bespreking is op basis van volgens Fort Oranje materieel onverschuldigde belastingvorderingen in Rotterdam het faillissement aangevraagd van de moedervennootschap van Fort Oranje, Engel Beheer B.V.. De Belastingdienst Rijnmond maakt deel uit van het samenwerkingsverband. Het is uitsluitend te danken aan een enorme inspanning middels gerechtelijke procedures dat Fort Oranje tot 2017 nog niet toegeëigend was door de RIEC-partners.

 

Naar aanleiding van de op 23 februari 2013 gemaakte afspraken is vanuit de verschillende ministeries gezamenlijk een geheim projectplan opgesteld dat de alleszeggende naam “Casus Maisveld” draagt. De inhoud is vanzelfsprekend niet vrijgegeven.

Fort Oranje wordt de daarop volgende jaren bedolven onder dwangsombesluiten, beslagen van de Belastingdienst, twijfelachtige strafrechtelijke vervolgingen en pogingen om Fort Oranje te sluiten. Fort Oranje verweert zich middels talrijke gerechtelijke procedures. Hoewel de vele handhavingsacties aanzienlijke schade toe brengen, slaagt het plan niet om Fort Oranje in een maisveld te veranderen. Het mislukken van deze aanpak leidt bij het samenwerkingsverband kennelijk tot de nodige frustratie.

 

Zo blijkt uit de stukken dat in een “zogenaamde Signaal Informatieoverleg RIEC” van 25 oktober 2016 volgende bericht over Engel en Fort Oranje binnengekomen:

 

“De recreatieve functie van Fort Oranje is teruggebracht tot nagenoeg nihil De camping biedt onderdak aan (illegale) arbeidsmigranten en permanente bewoning door sociaal zwakkeren en personen met verbindingen naar (georganiseerde) criminaliteit. Het park heeft een sterk aanzuigende werking voor mensen in de categorie “probleemgevallen”. De eigenaar van de camping, de heer Engel, weet dit als een ware huisjesmelker volledig uit te buiten”.

 

Saillant detail is dat in hetzelfde document vermeld wordt dat veel bewoners van Fort Oranje doorgestuurd zijn door de reclassering, sociaal maatschappelijke instellingen en andere gemeenten. De opsteller van het signaal wil volgende bereiken:

 

“Definitief einde maken aan de maatschappelijke misstanden, beëindiging van de overtredingen van bestuurlijke en strafrechtelijke regels en het mogelijk maken van een andere ruimtelijke ordening oplossing”

 

Deze doelstelling heeft een  aantal opvallende elementen. Fort Oranje wordt kennelijk beschouwd als een maatschappelijke misstand terwijl Fort Oranje juist een symptoom is van maatschappelijke misstanden. Zoals het document immers zelf vaststelt, is Fort Oranje een last resort voor mensen die door de bodem van maatschappelijke bodem gezakt zijn. De oplossing die aangedragen wordt, sluit aan bij de vermoeden die Fort Oranje in talrijke procedures geuit heeft doch steeds weggezet zijn als ongefundeerde samenzweringstheorieën, namelijk het mogelijk maken van een andere ruimtelijke ordening. Dit betekent niets anders dan inzetten op de definitieve sluiting van Fort Oranje.

 

Het signaal is besproken tijdens het overleg op 31 oktober 2016 van het “Regionaal Actiecentrum Overleg Zeeland West-Brabant”. In de “Besluitenlijst” is vermeld dat één van de deelnemer aangeeft graag opnieuw intensief met Fort Oranje aan de slag gegaan wil worden. Er wordt besloten een regiegroep op te aan te stellen met drie commissies, namelijk “Rakkers en Stakkers, Ontneming  op subject Engel en Ontneming op de onderneming”. De Belastingdienst geeft aan alleen te willen inzetten op de ontneming van subject Engel. Besloten wordt dat er wel deurwaarders meegaan bij acties. Besloten wordt de casus een nieuwe naam te geven, namelijk “BLOEDKORAAL”.

 

Om de volle omvang van deze “besluiten” te begrijpen, is het goed hier nog verder bij stil te staan. Het RIEC is een niet-bestaand bestuursorgaan dat geen wettelijke basis heeft. Dit samenwerkingsverband van verschillende bestuursorganen en overheidsdiensten neemt op basis van niet-bestaande bevoegdheden het besluit om de heer Engel en Fort Oranje te ontnemen. Ontnemingsvorderingen kent het Nederlandse recht uitsluitend in de context van strafrechtelijke veroordelingen. Dat hier besloten is om een burger en een onderneming te ontnemen uitsluitend omdat binnen dit geheime overleg besloten is dat deze subjecten zich bezighouden met niet nader gedefinieerde ongewenste activiteiten, is ongekend in een rechtsstaat. Deze bestuurders hebben de kaders en regels van de rechtstaat ver achter zich gelaten. Deze besluitenlijst laat zien dat dit samenwerkingsverband zich boven wet- en regelgeving gesteld heeft. Deze subjecten zijn daarmee uitgeleverd aan de willekeur van een samenwerkende groep bestuursorganen en overheidsdiensten. Het hier bestreden besluit past in de hier gekozen aanpak, en dient in de context van deze afspraken beoordeeld te worden.

[1] Handboek bestuurlijke aanpak georganiseerde criminaliteit, CCV 2010, p. 7

[2] Toelichting bij eindversie convenant, Pagina 1

[3] P.223

[4] P. 224

 

In de Toelichting bij eindversie Convenant (v18) kunt u lezen dat een convenant geen wettelijke basis voor het delen van gegevens kan scheppen! Deze toelichting hoort bij het convenant van het Regionaal Informatie en Expertise Centrum, kortweg RIEC. In de huidige praktijk is het het motto ‘niet delen tenzij’ zonder aanwijsbare grondslag verkracht tot ‘ delen tenzij’. De wettelijke basis ontbreekt tot op de dag van vandaag. Het wetsvoorstel Kaderwet, dat in een wettelijke grondslag zou moeten voorzien, is er nooit gekomen omdat een dergelijke wet in strijd zou zijn met Relevante bepalingen waaronder het EVRM artikel 6, het recht op privacy!  De betreffende wetten zijn wel per 1 januari 2016 gewijzigd zodat deze een wettelijke grondslag te vormen. In de praktijk ontbreekt een afweging van de noodzakelijkheid van de gegevensverwerking zodat de onrechtmatigheid voort duurt.

In tk-toezeggingen-ao-criminaliteitsbestrijding-dd-2-februari-2017 lijkt de minister te insinueren dat een convenant voldoende is. Niets is minder waar. Wel wordt duidelijk dat de stoere uitspraken van de brabantse burgemeesters op ongefundeerde aannames berusten.

 

In Rapport van de Werkgroep Verkenning kaderwet wordt wederom duidelijk dat de gegevensuitwisseling zoals deze in het RIEC gepleegd wordt een wettelijke grondslag ontbeert en dat een Kaderwet die deze leemte zou moeten vullen in strijd zou zijn met de Europese regels omtrent privacybescherming. Per 1 januari 2016 zijn de Wpg en Wbp gewijzigd om een zweem van wettelijkheid te veinzen. Per 1 mei 2018 treedt de nieuwe EU verordening in werking die directe nationale werking heeft.

In de onderstaande wetenschappelijke publicaties wordt verder kritisch gekeken  naar de de bestuurlijke aanpak door de samenwerkende overheid. De bestuurlijke aanpak is de trend. Als de criminelen niet strafrechtelijk te veroordelen zijn, dan doen we het gewoon zonder rechterlijke toets. Onschuldigen bestaan niet meer. In het strafrecht bepaalt een rechter na een proces dat met waarborgen omgeven is wie er straf verdient. Een verdachte is onschuldig tenzij het tegendeel bewezen is! Dergelijke waarborgen ontbreken in het bestuursrecht. Het RIEC en haar partners hebben geen rechter meer nodig want binnen dit samenwerkingsverband besluit de burgemeester wel wie in aanmerking komt voor straf. Tot zover de rechtstaat.

WODC geg uitwisseling toezichthouders

Onder_het_mom_van_integriteit_NTB_2012-11

bibbob en eigen onderzoek rug 2014

aak20106480 ars aequi katern 114 bibob criminal charge